“Met een te hoge dunk van zichzelf; arrogant.” Dat zijn woorden die je niet snel bij een dakloze zou plaatsen. Sterker nog, ze horen er absoluut niet bij. Het is als vuur met water. Het conflicteert. Net als een eerlijke burgermeester in Schiedam zonder dubbele agenda. Of honderd kilometer per uur rijden op de A2. Het hoort niet bij elkaar. Toch gebeurt het, zo ook bij mij afgelopen week.
Ik zet mijn fiets neer, vast aan het fietsenrek. Geen onnodige luxe in Amsterdam anders is je trouwe tweewieler de volgende dag hoogstwaarschijnlijk weg. Moet je weer van een junk of dakloze een nieuwe kopen voor een tientje. Geld waarvan je weet dat het niet geïnvesteerd gaat worden in een studie of gezin, maar ja, anders verkoopt hij hem wel aan een andere student. En een fiets is onmisbaar in Amsterdam. Wat dat betreft was het wel ironisch dat ik werd aangesproken door een dakloze terwijl ik net mijn fiets op slot zette, zodat hij hem niet zou stelen. Dat is net zoiets als wanneer een juwelier aan een 16-jarige allochtoon vraagt of hij hem nog kan helpen. Er ontstaat dan een bijzondere situatie. De dakloze vroeg aan mij of ik nog iets voor hem had voor de nacht. Ik vond dat een gekke vraag daar ik er niet gek op ben om daklozen bij mij te laten logeren. Dat is de vorige keer volledig uit de hand gelopen, waren al mijn kleren weg. Ik vertelde de man dat ik geen bed voor hem had.
Vooral de manier waarop de zwerver zijn vraag stelde verbaasde mij. Hij kwam namelijk nogal verwaand over. Een tikkeltje arrogant zelfs. Als je een tijdje in de hotspot van Amsterdam-Zuid hebt gewerkt, genaamd de Beethovenstraat, dan weet je als geen ander wat verwaandheid is. Een typisch voorbeeld van deze verwaandheid is het als mensen geld geven zonder te kijken. Gewoon het geld vasthouden ergens boven een toonbank en dan naar buiten kijken, zo werkt dat. Dat is vooral een mooi fenomeen als het wisselgeld er aan te pas komt. Het is wel eens voorgekomen dat zich dan een vijftien minuten durende impasse voordoet waarbij het geld wordt aangegeven, maar niet precies ter hoogte van waar de hand van de koper op dat moment is.
Toen de dakloze ook nog om kleingeld vroeg ging ik mijn standaard script afwerken. Dat script houdt in dat ik sla op mijn broekzakken en zeg dat ik geen kleingeld bij me heb. “Heb ik eigenlijk nooit op zak.” Vaak niet eens gelogen. Mijn zwerver was hierdoor geïrriteerd en zei de nu al legendarische woorden: “Nou, laat dan maar hoor. Tsss.” En hij liep weg, mij in verbazing achterlatend.
Nu is mijn beeld van daklozen sowieso al slecht, dit maakte het niet beter. Mijn beeld van daklozen is zelfs zo slecht dat ik de dagen tel tot december. Dat het weer lekker gaat vriezen en ik lekker thuis tv kan kijken met de verwarming aan en warme choco. Ik vind dat de mooiste tijd van jaar. Als de daklozen opeens wel opvang kunnen krijgen en naar binnen worden gehaald. Dat is het enige moment dat ik graag boodschappen doe, als ik eindelijk een keer niet wordt lastig gevallen door de daklozenkrant-verkoper. Wat dat betreft belooft het huidige weer veel goeds. De herfst is al begonnen, ik kan niet wachten op de winter.

